Nieuws
Mensen melden zich bij de Geestelijke GezondheidsZorg (GGZ), omdat ze last hebben van psychische klachten. Die klachten hebben vaak ook te maken met de manier waarop iemand met zichzelf en de mensen om hem of haar heen omgaat. Dat verloopt bij iedereen volgens bepaalde patronen. Die patronen leren we in -grofweg- de eerste 18 jaar van ons leven.
MENSEN_ZIJN_ONTZETTENDE
Martijn Stöfsel,klinisch psycholoog-psychotherapeut, Lunteren
 
In de eerste jaar 18 jaar van ons leven leren we allerlei zaken. We leren praktische vaardigheden, zoals lopen en praten. Op school leren wel rekenen en aardrijkskunde. In het gezin waarin we opgroeien leren we met ons zelf en de mensen om ons heen om gaan. We leren dat met name door de manier waarop onze ouders, broers en zussen en andere belangrijke mensen in ons leven, met ons omgaan. We leren dan ongemerkt bepaalde psychische patronen. Die patronen blijven redelijk stabiel aanwezig gedurende de rest van ons leven. Dat is handig, want dan hoeven we niet telkens opnieuw het wiel uit te vinden. Het maakt ook dat de wereld voor ons voorspelbaar en beheersbaar wordt. Een simpel voorbeeld: indien je als klein jongetje je handen op een hete ijzeren houtkachel legt, zul je je behoorlijk pijn doen en leer je daarmee dat je goed moet opletten of de kachel niet aan is, want dan moet je die juist niet aanraken. Dat vergeet je je hele leven niet meer. Een meer psychologisch voorbeeld: als je ouders je stimuleren om je te ontwikkelen, je waarderen als je iets goed doet en je begrenzen als dat nodig is en je opvangen als het moeilijk hebt, ervaar je dat je ouders je als waardevol en liefdevol beleven en dat ze vertrouwen in je hebben. Je zult jezelf dan ook zo gaan beleven: je krijgt zelfvertrouwen, je weet dat je mag zijn wie je bent en dat dat voldoende is. Je kunt makkelijk met andere mensen om gaan en relatief ontspannen en met voldoende zelfvertrouwen allerlei zaken in de wereld aangaan.
Overlevingspatroon wordt disfunctioneel
Indien je als kind opgroeit in minder prettige omstandigheden, bijvoorbeeld een heel boze vader en een moeder, die je niet goed beschermt, leer je negatieve patronen om met jezelf en de anderen om te gaan. Je leert dan bijvoorbeeld om niet teveel op te vallen, om je vader niet tegen te spreken en je leert eigenlijk ook dat niemand je echt beschermt en van daaruit leer je andere mensen te wantrouwen. Je hebt waarschijnlijk een laag zelfbeeld en voelt je vaak onzeker. Dat in je jeugd aangeleerde psychische patroon gebruik je later ook om met andere mensen om te gaan. Je weet namelijk niet dat het ook anders zou kunnen. Daardoor kunnen er spanningen ontstaan in de relaties met andere mensen, want die kunnen ervaren dat jij je onnodig wantrouwend, schuw of onzeker naar hen gedraagt. Die spanningen kunnen leiden tot psychische problemen, zoals somberheid of angstklachten. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat je je teruggetrokken gaat gedragen, waardoor anderen zich ook niet meer zo met jou bemoeien en je inderdaad ervaart dat anderen zich niet om jou bekommeren en dat was precies wat je in je jeugd had geleerd. Het patroon herhaalt zich. Wat dan niet gezien wordt is dat jezelf het patroon bevestigd door je eigen teruggetrokken gedrag en niet door de anderen.
Indien je vaker in dit soort vicieuze cirkels terecht komt, betekent dat meestal dat er een disfunctioneel patroon speelt, dat in je jeugd begonnen is (en wat overigens toen vaak een functionele manier van overleven was).
Disfunctioneel patroon veranderen
Kan je nu zo’n disfunctioneel patroon veranderen in een functioneler patroon? Ja, dat kan, maar dat is niet makkelijk. Laten we met een klein, maar voor de meesten van ons herkenbaar voorbeeld beginnen: teveel eten en te zwaar worden. We hebben over het algemeen een bepaald eetpatroon aangeleerd; koekje bij de koffie, ’s avonds iets en voor het slapen gaan nog een glaasje wijn. Iedereen weet uit ervaring, dat als je dat patroon wilt veranderen, dat dat heel erg moeilijk is. Terwijl je er best wel voor gemotiveerd bent, want je wilt afvallen. Met name het automatisme en de vertrouwdheid van het patroon maakt het lastig om het te veranderen. Dat geldt ook voor psychische patronen. Veranderen kan: daartoe moet je eerst het patroon ontdekken en uitvinden door welke ervaringen in je jeugd het ontstaan is en alternatieve functionelere vaardigheden aanleren. Dat is een lastig proces, waar je vaak ondersteuning bij nodig hebt van anderen, bijvoorbeeld een psycholoog.
Wanneer moet je nu die patronen gaan veranderen?
Indien je langer tijd last hebt van telkens terugkerende klachten: bijvoorbeeld angstklachten of somberheidsklachten of je voelt je al langere tijd niet gelukkig of je hebt aldoor samenwerkingsproblemen met anderen, vaak ruzie of je merkt dat je vaak nogal onderdanig gedrag vertoont, dan spelen waarschijnlijk disfunctionele patronen een rol. Het is dan goed hulp te gaan zoeken, door er met andere mensen uit je omgeving over te praten en door wellicht dit met je huisarts te gaan bespreken. Uiteindelijk kan er dan een verwijzing naar de Geestelijk GezondheidsZorg komen. Jammer genoeg zijn er vaak lange wachttijden voor langerdurende behandelingen.
 
 
Martijn Stöfsel,
klinisch psycholoog-psychotherapeut
Lunteren